Ik heb zoiets van…
Hugo Camps en Bernard Dewulf weten het altijd wel fijn te zeggen, in hun kadertje links onderaan de voorpagina van De Morgen. Van deze kunnen we zeker allemaal nog wel iets opsteken…
Ik heb zoiets van… Lezen die handel!
door Bernard Dewulf (De Morgen, 17/11/06)
Hoe gaan die dingen. Iemand heeft op een dag zoiets van. Kan gebeuren. Woorden komen en gaan. En iemand hoort het en heeft zoiets van: eigenlijk heb ik ook zoiets van. Misschien ging het zo. Op een dag.
Niet dat iemand wist wat het wilde zeggen. Het had zoiets van: het ligt in de mond. Taalzalm, zaad, zoethout. Toen liep het over naar een derde. We moeten nu eenmaal overlopen om voort te bestaan. Toen is het misschien gebeurd. Lopend vuurtje van mond naar mond. De vierde, de vijfde, de vijftigste, gefezel tot in de files toe. De epidemie van zoiets van.
Al gauw kon men geen mond meer openslaan of hij had zoiets van. Vreemde, vertrouwde, verre, dichtbije spraak – het maakte niet uit, het was in het speeksel gedrongen, diep in de tongen gevallen.
Vandaag zet men de radio aan, komt iemand tegen, leest de krant, ontvangt een mond en denkt: iedereen heeft ervan. Van zoiets van. Bijna iedereen. Nu is de vraag: zegt men zoiets van na twee, drie of vier zinnen? Wat men ook voelt en denkt of mededeelt, het moet langs het tourniquet van zoiets van. Niets is nog iets, alles is eerst zoiets van. Een schim van van.
Hebt u ook zoiets van? Ja, ik heb ook zoiets van. O leuter leuter leuk, nu heb ik ineens zoiets van: iedereen zoiets van!
En wie intussen nog niet zoiets van heeft van, heeft een spraakgebrek.
Misschien is het zo gegaan. En inmiddels dus kwettert het in alle lagen, tot de meest geletterde tongen toe. U moet eens luisteren. Ook naar uzelf. Het is om stapelgek van uzelf te worden. De Bolero van ‘zoiets van’.
Ik herinner me geen groter taalepidemie dan deze. Hoe raken we van zoiets van af?










